Executieve functies
Executieve functies zijn eigenlijk de regelfuncties van het brein. Ze helpen kinderen om hun gedrag, emoties en gedachten aan te sturen, zodat ze doelgericht kunnen handelen. Je kunt ze vergelijken met een dirigent van een orkest: ze zorgen ervoor dat alle losse talenten, kennis en vaardigheden op het juiste moment goed samenwerken.
Er leeft nog vaak het idee dat cognitief sterke en hoogbegaafde kinderen zichzelf wel redden. Regelmatig staat er daarom een bak in de klas met extra opdrachten waar zij aan mogen werken zodra het gewone werk af is. In de praktijk blijven die opdrachten opvallend vaak liggen. Deze kinderen hebben hierbij namelijk begeleiding nodig. Er wordt zelfs weleens gezegd dat zij net zoveel ondersteuning nodig hebben als kinderen die moeite hebben om mee te komen binnen het reguliere onderwijs.
Bij deze kinderen zit er vaak een verschil tussen wat ze kunnen bedenken en wat ze daadwerkelijk kunnen organiseren, uitvoeren of volhouden. Hun brein kan ingewikkelde ideeën en opdrachten prima aan, maar de executieve functies zijn nog niet altijd voldoende ontwikkeld om die ideeën ook goed tot uitvoering te brengen. Daarom is het belangrijk om kinderen al jong te helpen deze vaardigheden te oefenen en ontwikkelen. Dat kunnen ze niet alleen!
De lespakketten van The Curious Mind Collective zijn allemaal bedoeld om samen met een docent of begeleider te doorlopen. In alle lespakketten is aandacht voor het versterken van executieve functies. We onderscheiden daarbij de volgende vaardigheden:
• Werkgeheugen
Het vermogen om informatie even vast te houden en ermee te werken. Bijvoorbeeld onthouden wat de juf net uitlegde, meerdere stappen tegelijk onthouden of hoofdrekenen.
Cognitief sterke en hoogbegaafde kinderen kunnen hun werkgeheugen vaak uitstekend inzetten bij onderwerpen die ze interessant vinden. Maar bij saaie, herhalende of emotioneel beladen taken lijkt dat werkgeheugen soms ineens “uit” te gaan. Daardoor kan het bijvoorbeeld lastig zijn om spellingsregels of tafels goed te automatiseren.
• Inhibitie (remmen)
Het vermogen om impulsen te beheersen: eerst denken, dan doen. Bijvoorbeeld wachten op je beurt of eerst de opdracht lezen voordat je begint. Ook emotieregulatie hoort hierbij.
Hoogbegaafde kinderen denken vaak razendsnel. Hun hoofd zit vol ideeën die elkaar in hoog tempo opvolgen. Vooral wanneer ze enthousiast zijn, kan wachten lastig zijn. Soms zijn ze bang hun ideeën kwijt te raken voordat ze aan de beurt zijn, waardoor ze door een ander heen praten.
• Cognitieve flexibiliteit
Het vermogen om van perspectief te wisselen, plannen aan te passen en mee te bewegen met veranderingen. Bijvoorbeeld een andere aanpak proberen als iets niet lukt.
Slimme en hoogbegaafde kinderen kunnen sterk zijn in abstract denken, maar tegelijkertijd erg vasthouden aan hun eigen idee of perfecte plan. Omdat hun hoofd voortdurend “aan” staat, zoeken ze soms veiligheid in duidelijkheid en voorspelbaarheid. Onverwachte veranderingen kunnen daardoor veel spanning geven.
Ook aansluiting vinden bij leeftijdsgenoten kan soms lastig zijn. Het aanpassen aan het niveau of tempo van anderen kost vaak veel energie.
• Plannen en organiseren
Het vermogen om overzicht te houden en een doel op te delen in stappen. Bijvoorbeeld huiswerk spreiden over meerdere dagen of een werkstuk stap voor stap aanpakken.
Slimme kinderen zien vaak het eindresultaat al helemaal voor zich, maar missen het stappenplan ernaartoe. Dat komt vaak doordat ze weinig hebben hoeven oefenen. Als je jarenlang alles snel en makkelijk afkrijgt, leer je niet vanzelf hoe je moet plannen. Daardoor kunnen grotere opdrachten later ineens overweldigend voelen.
• Taakinitiatie
Het vermogen om zelfstandig aan een taak te beginnen, zonder uitstel of voortdurende aanmoediging.
Bij interessante taken kunnen slimme kinderen vaak moeiteloos starten. Maar saaie, onduidelijke of moeilijke opdrachten kunnen juist enorme blokkades geven. Perfectionisme speelt hierin vaak mee. Kinderen die gewend zijn altijd hoge resultaten te halen, leggen de lat steeds hoger voor zichzelf. Daardoor kan de angst ontstaan om niet meer aan die verwachtingen te voldoen. Faalangst komt dan ook regelmatig voor bij deze doelgroep.
• Volgehouden aandacht
Het vermogen om aandacht vast te houden, ook wanneer iets lastig of minder leuk is. Bijvoorbeeld blijven doorwerken tot iets af is.
Slimme en hoogbegaafde kinderen kunnen in een onderwerp waar ze enthousiast over zijn volledig opgaan. Ze raken dan in een hyperfocus en kunnen uren doorgaan. Maar juist omdat ze weinig ervaring hebben met échte uitdaging, kunnen ze sneller afhaken zodra iets moeilijk wordt. Ook herhaling is vaak lastig: ze leren snel en hoeven minder te oefenen, waardoor ze soms niet leren hóé ze moeten leren.
• Emotieregulatie
Het vermogen om emoties te herkennen, te begrijpen en ermee om te gaan. Bijvoorbeeld rustig blijven bij teleurstelling of kritiek.
Slimme en hoogbegaafde kinderen voelen emoties vaak intens. Ze hebben meestal een sterk rechtvaardigheidsgevoel en pikken emoties van anderen feilloos op. Soms zo sterk dat ze moeilijk kunnen onderscheiden wat van henzelf is en wat van de ander. Dat kan verwarrend en vermoeiend zijn. Hun intellectuele ontwikkeling loopt vaak voor op hun emotionele ontwikkeling, waardoor die twee niet altijd in balans zijn.
• Metacognitie (zelfreflectie)
Het vermogen om na te denken over je eigen denken en handelen. Bijvoorbeeld weten wat je lastig vindt, beoordelen hoe iets gegaan is en leren van fouten.
Slimme en hoogbegaafde kinderen kunnen vaak scherp analyseren. Ze leggen de lat hoog voor zichzelf én voor anderen. Daardoor kunnen ze streng zijn voor zichzelf en perfectionistisch reageren wanneer iets niet meteen lukt.
