‘Je bent toch gewoon slim?’ Waarom hoogbegaafdheid zoveel discussie oproept
Hoogbegaafdheid staat ineens volop in de belangstelling. Aanleiding is onder andere een recent interview in NRC waarin schrijver en journalist Joris Luyendijk en cabaretier Lisa Loeb openhartig spreken over kwetsbaarheid, anders zijn en hoogbegaafdheid. Luyendijk spreekt ook op andere plekken publiekelijk over zijn ervaringen met hoogbegaafdheid. Zo vertelt hij in een videopodcast van A+O fonds Rijk over zijn persoonlijke ontdekkingstocht en wat hoogbegaafdheid voor zijn leven en loopbaan heeft betekend.1
De reacties op het interview lopen sterk uiteen. Veel mensen herkennen zich in zijn verhaal, maar er is ook scepsis, irritatie en zelfs spot. Opvallend genoeg gaat een deel van de discussie over het woord hoogbegaafdheid zelf en over de vraag waarom iemand met hoge cognitieve capaciteiten überhaupt ondersteuning of begrip nodig zou hebben. De reacties komen regelmatig neer op vragen waarom hier een label voor nodig is, of hoogbegaafdheid tegenwoordig niet te gemakkelijk wordt gebruikt en waarom hoge intelligentie niet simpelweg als een cadeau wordt gezien. Misschien is het dus juist goed dat die discussie er is. Want blijkbaar vinden we het nog behoorlijk ingewikkeld om over hoogbegaafdheid te praten.
Hoogbegaafdheid in het onderwijs: wanneer ontstaat er een probleem?
Laten we vooropstellen dat hoge cognitieve capaciteiten veel kansen kunnen bieden. Snel verbanden leggen, complexe informatie begrijpen en nieuwe kennis snel oppikken zijn waardevolle kwaliteiten. Hoogbegaafdheid is geen stoornis. En niet ieder hoogbegaafd kind loopt vast.
Tegelijkertijd betekent slim zijn niet automatisch dat een kind binnen het onderwijs krijgt wat het nodig heeft. Een recente systematische review naar onderwijsinterventies voor hoogbegaafde leerlingen concludeert dat deze leerlingen geregeld problemen ervaren bij het krijgen van passend onderwijs.2
Ook onderpresteren bij hoogbegaafde leerlingen is uitgebreid onderzocht. Een systematische review uit 2024 laat zien dat dit niet door één eigenschap van het kind wordt veroorzaakt. Zowel motivatie en sociaal-emotionele factoren als de onderwijsomgeving, het gezin en leeftijdsgenoten kunnen een rol spelen.3 Dat onderscheid vind ik belangrijk.
“Hoogbegaafdheid is niet het probleem. Maar een omgeving die onvoldoende aansluit bij wat een kind nodig heeft, kan dat wel worden.”
Wat ik om mij heen zie
Naast wat onderzoek ons vertelt, zijn er de mensen die ik zelf om mij heen zie. Volwassenen die vertellen hoe lastig het voor hen kan zijn om aansluiting te vinden bij wat de maatschappij van hen verwacht, en die soms lang zoeken naar een plek die bij hen past. Kinderen die zich jarenlang vervelen omdat de lesstof onvoldoende uitdaging biedt waardoor ze steeds minder gaan doen en uiteindelijk onderpresteren, met tegenzin naar school gaan of zelfs uitvallen. Kinderen die weinig aansluiting ervaren met leeftijdsgenoten. Kinderen die veel prikkels binnenkrijgen en moeite hebben met een drukke klas. Kinderen die sociaal wenselijk gedrag laten zien en zich voortdurend aanpassen aan wat zij denken dat hun omgeving van hen verwacht. Soms lukt dat jarenlang. Tot het niet meer lukt.
Ik wil daar voorzichtig mee zijn. Wetenschappelijk onderzoek geeft geen basis om te stellen dat alle hoogbegaafde kinderen hooggevoelig, eenzaam, perfectionistisch of overprikkeld zijn. Net als bij iedere andere groep zijn ook hoogbegaafde mensen onderling heel verschillend. Mijn persoonlijke observaties zijn dus geen bewijs voor eigenschappen van ‘het hoogbegaafde kind’. Maar ze zijn voor mij wél een reden om te blijven vragen:
Wat heeft dit individuele kind nodig om niet alleen mee te draaien, maar zich daadwerkelijk te ontwikkelen?
Ook een kind dat de lesstof gemakkelijk aankan, heeft iets te leren
Wanneer een kind moeite heeft met de aangeboden lesstof, vinden we extra ondersteuning vanzelfsprekend. Maar wanneer een kind diezelfde lesstof al beheerst of veel sneller doorgrondt dan klasgenoten, denken we al snel: Die redt zich wel. Daarmee missen we iets belangrijks. Want leren is meer dan het goede antwoord geven. Het is iets proberen waarvan je niet weet of het lukt. Fouten maken. Frustratie verdragen. Opnieuw beginnen. Hulp vragen en doorzetten.
Wanneer een kind jarenlang op school nauwelijks wordt uitgedaagd, krijgt het ook minder gelegenheid om te oefenen met situaties waarin leren inspanning vraagt. Dat is relevant, omdat een systematische review van Raoof en collega’s (2024) laat zien dat bij onderpresteren van hoogbegaafde leerlingen onder andere motivatie, zelfregulatie, zelfeffectiviteit en leerstrategieën een rol spelen. In de onderzochte literatuur worden bij onderpresteerders ook het vermijden van uitdagende ervaringen en faalangst beschreven.3
Dat maakt passende uitdaging belangrijk voor meer dan alleen de schoolprestaties van vandaag. De schooltijd is ook de periode waarin kinderen leren hoe ze moeten leren: doorzetten wanneer iets moeilijk wordt, omgaan met frustratie, plannen, hulp vragen en ervaren dat inspanning onderdeel is van ontwikkeling.
Voor mij roept dat ook een vraag op die verder gaat dan de schooltijd. Wat gebeurt er wanneer een kind jarenlang onvoldoende gelegenheid krijgt om juist deze vaardigheden te ontwikkelen, en pas later in een studie of werkomgeving tegen situaties aanloopt waarin cognitief vermogen alleen niet meer voldoende is? We kunnen op basis van dit onderzoek niet stellen dat hoogbegaafde kinderen daardoor later vaker vastlopen. Maar het is voor mij wel een extra reden om niet te wachten tot er problemen ontstaan. Ook een kind dat de aangeboden lesstof gemakkelijk aankan, heeft recht op leerdoelen die passen bij zijn of haar ontwikkeling.
Anders betekent niet beter
We vinden het meestal niet moeilijk om te zeggen dat een kind uitzonderlijk muzikaal of sportief is. Bij intelligentie voelt dat anders. Alleen het woord hoogbegaafdheid roept al een bepaalde rangorde op: hoog-begaafd klinkt alsof iemand méér of beter bedeeld is. Ik vraag me daarom soms af of het woord eigenlijk wel recht doet aan wat we ermee proberen te beschrijven. Want een verschil in cognitieve mogelijkheden is geen verschil in menselijke waarde.
Een kind dat cognitief sterk is en razendsnel abstracte verbanden ziet, is niet meer waard dan een kind met andere talenten en kwaliteiten. Een kind zou zijn manier van denken ook niet hoeven te verbergen of zichzelf voortdurend aan te passen om geaccepteerd te worden. Juist daarom vind ik het belangrijk dat kinderen leren dat mensen op allerlei manieren van elkaar verschillen. We denken anders. We leren anders. We hebben andere talenten, interesses, grenzen en behoeften. Verschillen leren begrijpen is iets anders dan mensen in hokjes plaatsen.
Daarom is deze discussie nodig
Daarom vind ik de huidige media-aandacht voor hoogbegaafdheid waardevol. Niet omdat we alles wat Joris Luyendijk of andere ervaringsdeskundigen zeggen als wetenschappelijk feit moeten aannemen. Persoonlijke ervaringen en wetenschappelijke conclusies zijn niet hetzelfde. En ook niet omdat ieder hoogbegaafd kind extra hulp nodig heeft. Maar wel omdat er nog veel onbegrip en onwetendheid over hoogbegaafdheid bestaat. Meer openheid en discussie kunnen helpen om daar verandering in te brengen. Als hoogbegaafdheid alleen wordt gezien als heel slim zijn, missen we de vraag wat een individueel kind nodig heeft om daadwerkelijk te leren en zich te ontwikkelen. Dat is uiteindelijk de vraag die voor mij centraal staat. Niet:
Hebben hoogbegaafde kinderen het moeilijker dan andere kinderen?
Of:
Is hoogbegaafdheid een voordeel of een nadeel?
Maar:
Krijgt dit kind wat het nodig heeft om te groeien?
Soms betekent dat moeilijkere leerstof. Soms leren omgaan met fouten. Soms contact met kinderen met vergelijkbare interesses of manieren van denken. En soms gaat het over jezelf leren kennen, begrijpen waarom mensen verschillend denken en ontdekken dat je jezelf niet kleiner hoeft te maken om erbij te horen.
Dat is ook waarom mijn lesprogramma’s niet alleen gericht zijn op cognitieve uitdaging. Kinderen onderzoeken hoe hun eigen denken werkt, leren zichzelf beter kennen en ontdekken hoe verschillend mensen kunnen denken, voelen en reageren. Niet om ze te vertellen wie ze zijn. Maar om ze de ruimte te geven dat zelf te ontdekken.
Want meer aandacht voor hoogbegaafdheid hoeft niet te betekenen dat we van hoogbegaafdheid een probleem maken. Het kan er juist voor zorgen dat een kind niet eerst hoeft vast te lopen voordat we ons afvragen wat het nodig heeft.
Bronnen
- A+O fonds Rijk (2026). Hoogbegaafdheid op de werkvloer, onbekend en onbemind? Videopodcast met Joris Luyendijk en Dolores Leeuwin.
- Vergeer, J., van Weerdenburg, M., Schils, T. & Bakx, A. (2026). Parents, teachers, and policy makers in educational interventions for gifted students: Systematic review study. Acta Psychologica, 266, 106784. https://doi.org/10.1016/j.actpsy.2026.106784
- Raoof, K., Shokri, O., Fathabadi, J. & Panaghi, L. (2024). Unpacking the underachievement of gifted students: A systematic review of internal and external factors. Heliyon, 10(17), e36908. https://doi.org/10.1016/j.heliyon.2024.e36908

Ieder kind denkt anders
Wil je hoogbegaafde kinderen uitdagen om verder te denken en nieuwsgierig te blijven? Ontvang gratis onze les Fopbrein en laat kinderen ontdekken hoe makkelijk hun brein voor de gek te houden is. Een speelse les vol verwondering, kritisch denken en verrassende inzichten. Daarnaast ontvang je af en toe inspiratie, praktische tips en nieuwe inzichten.







