Spelend leren voor hoogbegaafde kinderen

Waarom spelend leren zo belangrijk is voor hoogbegaafde kinderen

Bij onderwijs voor hoogbegaafde kinderen denken we al snel aan verrijking, verdieping en moeilijkere opdrachten. Logisch, want een kind dat de gewone lesstof snel doorgrondt, heeft voldoende uitdaging nodig om daadwerkelijk te kunnen leren. Maar uitdaging hoeft niet altijd te betekenen: nóg moeilijker nadenken.

Ook bouwen, bewegen, creëren, experimenteren en spelen kunnen waardevolle leerervaringen zijn. Juist wanneer een kind niet vooraf weet wat de uitkomst zal zijn, ontstaat er iets interessants. Er moeten keuzes worden gemaakt, ideeën worden uitgeprobeerd en plannen worden aangepast. Misschien ontstaat er onderweg zelfs een heel nieuw idee.

Spelen en leren kunnen elkaar dus juist ondersteunen.

Spelen is óók leren

Bij spelen denken we misschien al snel aan ontspanning of vrije tijd. Maar tijdens spel kunnen allerlei leerprocessen plaatsvinden. Kinderen proberen mogelijkheden uit, maken keuzes en ontdekken wat er gebeurt.

Onderzoek naar guided play, spel waarbij kinderen ruimte hebben om zelf te ontdekken terwijl een volwassene of leeromgeving richting geeft aan een leerdoel, laat zien dat deze vorm van leren voor bepaalde vaardigheden voordelen kan hebben. Een systematische review en meta-analyse vond bijvoorbeeld positieve resultaten voor sommige vroege rekenvaardigheden, vormkennis en cognitieve flexibiliteit. Voor andere ontwikkelingsgebieden werden geen duidelijke verschillen gevonden.¹

Dat laatste is belangrijk. Spelend leren is geen wondermiddel en niet ieder leerdoel hoeft in een spelvorm gegoten te worden. Maar het laat wel zien dat spelen en serieus leren prima samen kunnen gaan. En juist dat vind ik interessant. Spel hoeft leren niet te vervangen. Het kan een andere ingang bieden tot leren: eentje waarin niet alles vooraf vaststaat en waarin een kind zelf iets te ontdekken heeft.

En hoe zit dat bij hoogbegaafde kinderen?

Er bestaat natuurlijk niet één type hoogbegaafd kind. Het ene kind stort zich vol enthousiasme op iets nieuws, terwijl een ander liever eerst precies wil weten wat de bedoeling is. Het ene kind houdt van open opdrachten, terwijl een ander juist behoefte heeft aan structuur. Juist daarom vind ik het interessanter om niet te vragen of hoogbegaafde kinderen ‘meer moeten spelen’, maar om te kijken naar wat een individueel kind nog te leren heeft. Want ook een kind dat razendsnel begrijpt hoe iets werkt, kan tegen iets aanlopen zodra er geen stappenplan, duidelijk antwoord of gegarandeerd succes is. En juist daar kan spel interessant worden.

Een kind dat een ingewikkeld bouwwerk probeert te maken, moet misschien doorzetten wanneer het omvalt. Een leerling die met losse materialen een oplossing ontwerpt, ontdekt misschien dat het eerste idee niet werkt. Tijdens een open creatieve opdracht moet een kind zelf keuzes maken in plaats van een stappenplan volgen. De uitdaging zit dan niet alleen in de moeilijkheid van de inhoud, maar ook in het leerproces zelf.

Niet alles hoeft één goed antwoord te hebben

Veel schoolopdrachten werken naar een duidelijk eindpunt toe. Een som heeft een uitkomst. Een woord is goed of fout gespeld. Feiten zijn correct of incorrect. Dat is niet verkeerd. Soms is er nu eenmaal een goed antwoord. Maar kinderen hebben óók iets aan opdrachten waarbij het antwoord niet vooraf vaststaat.

  • Wat kun je bouwen met deze materialen?
  • Hoe zou jij dit probleem oplossen?
  • Kun je drie totaal verschillende oplossingen bedenken?
  • Wat gebeurt er als je het anders probeert?

Bij zulke opdrachten verschuift de aandacht van Weet ik het juiste antwoord? naar Wat kan ik proberen? Dat geeft ruimte aan creativiteit, flexibiliteit, nieuwsgierigheid en reflectie. Een eerste idee hoeft niet meteen het beste idee te zijn. Sterker nog: een idee dat niet werkt, kan juist interessante nieuwe vragen opleveren.

Procesgericht werken: wat gebeurt er onderweg?

Daarom vind ik procesgericht werken zo waardevol. Niet alleen kijken naar wat een kind uiteindelijk heeft gemaakt, maar juist nieuwsgierig zijn naar wat er onderweg gebeurde. Welke keuzes maakte het kind? Wat lukte niet meteen? Wanneer veranderde het van aanpak? En ontstond er misschien iets wat vooraf helemaal niet bedacht was? Voor sommige leerlingen zal dat heel vanzelfsprekend voelen. Voor andere kinderen kan het juist lastig zijn wanneer er geen duidelijk stappenplan of vooraf bepaald eindresultaat is. Dat hoeft geen probleem te zijn.

Als leerkracht hoef je op zo’n moment niet meteen met een oplossing te komen. Soms helpt een vraag. Soms nieuw materiaal. Soms wat extra structuur. En soms is het juist interessant om even niets te doen en te kijken wat een kind zelf ontdekt.

Denken, voelen en ervaren

Cognitief sterke kinderen beschikken over iets heel waardevols: hun denkvermogen. Ze kunnen analyseren, verbanden leggen en ingewikkelde vraagstukken doorgronden. Het is verleidelijk om in het onderwijs vooral dát talent aan te spreken. Het is tenslotte waar een kind goed in is en vaak ook waardering voor krijgt. Toch vind ik het belangrijk dat kinderen niet alleen leren vertrouwen op wat ze kunnen bedenken. Ze mogen ook leren aandacht te hebben voor wat ze voelen en ervaren. Wat merk ik in mijn lichaam? Wanneer wordt iets te veel? Waar krijg ik energie van? Wat kost juist energie? Wat heb ik op dit moment nodig?

Dat betekent niet dat hoogbegaafde kinderen als groep minder goed in contact staan met hun gevoel. Daar is onvoldoende wetenschappelijke basis voor. Maar het roept voor mij wel een belangrijke vraag op: als denken een grote kracht van een kind is en die kwaliteit voortdurend wordt aangesproken en gewaardeerd, hoeveel ruimte krijgt het dan om ook andere manieren van ervaren en leren te ontwikkelen?

Ook prikkelverwerking kan daarbij een rol spelen. Niet ieder kind verwerkt de wereld om zich heen op dezelfde manier. Sommige kinderen zoeken bepaalde prikkels op, terwijl andere juist sneller last hebben van bijvoorbeeld geluid, aanraking, beweging of drukte. Ook tussen hoogbegaafde kinderen bestaan hierin grote verschillen.

Sensorische activiteiten kunnen één manier zijn om die variatie aan te brengen. Denk aan werken met klei, zand, water, verf, natuurlijke materialen of materialen met verschillende structuren. Een kind kan voelen, kneden, bouwen, mengen en experimenteren zonder dat vooraf precies vaststaat wat eruit moet komen. Voor mij zit de waarde daarvan niet in de aanname dat sensorisch spel ieder hoogbegaafd kind ‘reguleert’ of uit het hoofd haalt. Het biedt simpelweg een andere manier om te leren en te ervaren. Ondertussen kun je als leerkracht observeren: waar wordt dit kind nieuwsgierig van? Wat kost energie? En waar heeft het juist behoefte aan?

Ook bewegen kan onderdeel zijn van leren

Leren hoeft niet altijd zittend aan een tafel plaats te vinden. Bewegend leren kan beweging combineren met een inhoudelijke opdracht. Denk bijvoorbeeld aan antwoorden verzamelen door naar verschillende plekken in het lokaal te lopen, begrippen fysiek ordenen, een model op ware grootte bouwen of tijdens een onderzoek daadwerkelijk meten, verplaatsen en uitproberen. Onderzoek naar bewegend leren laat positieve resultaten zien voor fysieke activiteit en in sommige onderzoeken voor taakgericht gedrag. De resultaten voor cognitieve prestaties en leerresultaten zijn minder eenduidig.²

Ook hier geldt dus: bewegen is niet automatisch beter dan zitten. De interessante vraag is eerder: Welke manier van werken past bij wat we kinderen op dit moment willen laten leren en ervaren?

Spelen hoeft niet kinderachtig te zijn

Bij spelend leren ontstaat soms het beeld van jonge kinderen die in een speelhoek zitten. Maar spel kan veel meer zijn dan dat. Een groep oudere leerlingen kan een ingewikkelde constructie ontwerpen. Een ander groepje kan een eigen experiment bedenken. Leerlingen kunnen een mysterie oplossen, een prototype bouwen, iets onderzoeken, een strategie testen of met beperkte materialen proberen een probleem op te lossen.

Voor mij zit juist daarin het speelse: niet per se in speelgoed of een spelletje, maar in de vrijheid om te onderzoeken, kiezen, proberen, mislukken, aanpassen en opnieuw proberen. Dat kan ook voor een leerling die snel begrijpt en veel weet nieuwe leerervaringen opleveren.

Hoogbegaafdheid vraagt om meer dan moeilijker werk

Cognitieve uitdaging blijft belangrijk. Een leerling die lesstof al beheerst, heeft weinig aan eindeloze herhaling van hetzelfde niveau. Maar alleen moeilijkere werkbladen aanbieden is nog geen volledig antwoord op passend onderwijs. Een kind kan misschien ook leren om:

  • verschillende oplossingen te onderzoeken;
  • een eigen aanpak te bedenken;
  • samen te werken;
  • iets te maken waarvan de uitkomst nog niet vaststaat;
  • een plan onderweg te veranderen;
  • om te gaan met iets dat niet meteen lukt;
  • uit te leggen waarom een bepaalde keuze is gemaakt;
  • terug te kijken op het eigen denk- en leerproces.

Uitdaging gaat dus niet alleen over hoe moeilijk de lesstof is, maar ook over wat een kind tijdens het leren tegenkomt.

Niet alleen sterke denkers

Misschien is dat voor mij wel de belangrijkste reden waarom spelend, bewegend en onderzoekend leren een plek verdient in onderwijs voor hoogbegaafde kinderen. Niet omdat ieder hoogbegaafd kind hetzelfde nodig heeft. En ook niet omdat spelen beter is dan goede instructie of stevige cognitieve uitdaging. Juist de combinatie vind ik interessant.

Want uiteindelijk willen we niet alleen kinderen die veel weten of snel kunnen denken. We willen kinderen die nieuwsgierig blijven, iets nieuws durven proberen en steeds meer ontdekken over de wereld én over zichzelf.

Passend lesmateriaal

Die gedachte zie je ook terug in de lesprogramma’s van The Curious Mind Expedition. Cognitieve uitdaging wordt gecombineerd met onderzoeken, creëren, samenwerken, bewegen en reflecteren. Niet iedere les bevat alles tegelijk en niet iedere activiteit heeft hetzelfde doel. De ene keer ligt de uitdaging in een complexe vraag, de andere keer in het bedenken van verschillende oplossingen of het uitwerken van een eigen idee.

Het doel is niet om kinderen alleen maar bezig te houden of van ieder leerdoel een spelletje te maken. Het doel is om rijke leerervaringen te creëren waarin kinderen daadwerkelijk iets te ontdekken en te leren hebben.

Want ook een kind dat razendsnel denkt, heeft nog genoeg te ontdekken.

Wetenschappelijke achtergrond

  1. Skene, K., O’Farrelly, C. M., Byrne, E. M., Kirby, N., Stevens, E. C., & Ramchandani, P. G. (2022). Can guidance during play enhance children’s learning and development in educational contexts? A systematic review and meta-analysis. Child Development, 93(4), 1162–1180. DOI / publicatie
  2. Daly-Smith, A. J., et al. (2018). Systematic review of acute physically active learning and classroom movement breaks on children’s physical activity, cognition, academic performance and classroom behaviour. BMJ Open Sport & Exercise Medicine, 4, e000341. DOI / publicatie
Curio doet een brief in een brievenbus als symbool voor de nieuwsbrief van The Curious Mind Expedition.

Wil je leren in beweging brengen?

Meld je aan en ontvang gratis een inspirerende lesactiviteit voor nieuwsgierige denkers. Ontdek hoe je leren kunt combineren met creativiteit, beweging en onderzoek. Daarnaast ontvang je af en toe praktische tips en nieuwe inzichten.

Vergelijkbare berichten

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *